Stanza VI (6)
In zekere zin, en gezien vanuit het menselijk standpunt, zou dit voor ons de tot dusver belangrijkste Stanza kunnen zijn. H.P.B. zegt: ‘de volgende fasen in de vorming van de ‘wereld’ zijn aangegeven in Stanza VI, die de ontwikkeling van een dergelijke wereld voortzet tot aan de vierde grote periode, overeenkomend met de periode waarin wij nu leven.”
Het wordt nu ook duidelijker wat wordt bedoeld met de lering dat de mens niet alleen thuis is in het universum, maar dat hij een integrerend deel van dat universum is, zoals G. de P. er voortdurend de nadruk oplegde. Op deze manier hebben al de kosmische beginselen hun weerspiegeling, hun benedeneind als het ware, in de mens; Mahat aan het boveneinde van het goddelijk Denkvermogen en Manas in de mens.
Hier volgen de eerste 4 slokas.
1. “Door de kracht van de Moeder van Erbarming en Kennis – Kwan-Yin – het “drievoud” van Kwan-Shai-Yin, in Kwan-Yin-Tien gezeteld, doet Fohat, de Adem van hun Nakroost, de Zoonm der Zonen, na uit het grondeloos diep de schijnvorm van Sien-Tchang en de Zeven Elementen te hebben opgeroepen:
2. Doet Hij, de Snelle en Stralende, de Zeven Laya-Centra ontstaan, waarvan tot de grote dag “Wees-met-Ons” geen de meerdere zal zijn; en hij grondvest het Heelal op deze Eeuwige Fundamenten, Tsien-Tchan met de Oerkiemen omringende.
3. Van de Zeven – eerst één geopenbaard, zes verborgen, twee geopenbaard, vijf verborgen; drie geopenbaard, vier verborgen; vier verwekt, drie onzienlijk; vier en een Tsan onthuld, twee en een half verborgen; zes nog te openbaren, een ter zijde gelegd. Ten slotte, zeven kleinere wielen wentelend, waarvan het ene aan het andere het aanzijn schenkt.
4. Hij bouwt hun naar de gelijkenis van oudere wielen, hen op de Onvergankelijke Centra stellende. Hoe bouwt hen Fohat? Hij verzamelt het vuur-stof. Hij maakt ballen van vuur, hij schiet er door en er omheen, hun leven instortende. Dan stelt hij hen in beweging, sommige langs deze, andere langs gene weg. Zij zijn koud, hij maakt hen heet. Zij zijn droog, hij maakt hen vochtig. Zij schijnen, hij bewaait en bekoelt hen. Aldus werkt Fohat van de ene schemer tot de andere, Zeven Eeuwigheden lang.”
Op dit punt maakt H.P.B. een onderbreking met de mededeling: “Met deze verzen, de vierde Sloka van Stanza VI, eindigt dit gedeelte van de Stanza’s dat betrekking heeft op de universele kosmogonie na de laatste Mahapralaya of universele oplossing, die, wanneer zij komt, elk onderscheiden ding, zowel goden als atomen, uit de ruimte veegt als even zovele verdorde bladeren. Vanaf dit vers hebben de Stanza’s alleen te maken met ons zonnestelsel in het algemeen, met de planeetketens die er toe behoren en in het bijzonder met de geschiedenis van onze globe (de vierde van de keten). Wat alle volgende Stanza’s en verzen in dit boek betreft verwijs ik enkel naar de ontwikkeling van en op onze aarde…”.
Dit is een waarschuwing, waarop H.P.B. verschillende keren later nadruk wenst te leggen. De ervaring leert, hoe vaak de ernstige student een geleerde vraag stelt. Als hij het antwoord ontvangt gaat hij, in plaats van er over na te denken en het op te nemen in hetgeen hij reeds weet, in de kosmogonie in het algemeen, onmiddellijk over op een andere vraag, die verder gaat, zelfs voorbij datgene wat de Dhyân Chohans is onderwezen, met het gevolg, dat wat op ons en op ons gebied betrekking heeft, niet wordt begrepen, waardoor de betekenis van wat ons NU geleerd wordt, wordt verkleind of verloren gaat.
( Voordat H.P.B. verder gaat met de laatste verzen van Stanza VI schrijft zij ruim 40 bladzijden met verklarende noten).
5. “In de vierde wordt de zonen gezegd hun beeltenis te scheppen. Een derde weigert – twee derde gehoorzamen. Het doemvonnis valt, zij zullen worden geboren in het vierde, lijden en doen lijden, dit is de eerste krijg.
6. De oudere wielen wentelen naar beneden en naar boven…Het moeder zaad vulde het geheel. Er werden oorlogen tussen de Scheppers en de Verdelgers gevoerd en oorlogen om ruimte, en het zaad verscheen en herverscheen zonder ophouden.
7. Maak uw berekeningen, Lanoe, zo gij de juiste leeftijd van uw klein wiel verlangt te kennen. Zijn vierde spaak is onze moeder. Verwerf de vierde “vrucht” van het vierde pad der kennis dat naar Nirvâna leidt, en gij zult verstaan, want gij zult zien…”.
-------------------------------------------
zaterdag 21 mei 2011
dinsdag 18 januari 2011
Stanza VII (Geheime Leer -deel I)
Stanza VII
“De Ouders van de Mensheid op Aarde”.

1. Aanschouw de aanvang van bewust, vormloos leven. Eerst het Goddelijke (voertuig), het Ene van de Moeder-Geest (Âtma); dan het Geestelijke – ( Âtma-Buddhi, de Geest-Ziel, dit heeft op de Kosmische beginselen betrekking) ; (andermaal) de Drie van de Een; de Vier van de Een; en de vijf, uit welke de Drie, de Vijf en de Zeven – Deze zijn het drievoud en het viervoud nederwaarts; de “Geest-Geboren” Zonen van de eerste Heer (Avalokiteśvara). De Blinkende Zeven (de “Bouwers” ), (de Zeven Scheppende Rishi’s, die thans met het sterrenbeeld van de Grote Beer in verband worden gebracht. De Stralende Zeven - de Zeven oorspronkelijke Stralen. De Zeven voornaamste groepen van Dhyâni-Chohans). Zij zijn U, Mij, Hem, O Lanoe, Zij die over U en Uw moeder, Bhûmi (de Aarde) waken”.
2. De ene straal vermenigvuldigt de kleinere stralen. Het leven is er vóór de vorm en het overleeft het laatste vorm-atoom. Door de talloze stralen loopt de levensstraal, de ene, gelijk een snoer door vele parels.
3. De Ene, twee geworden, doet het drievoud ontstaan, en de drie zijn één; en het is onze draad, o Lanoe, het hart der mens-plant, Saptaparna genaamd.
4. Het is de wortel, die nimmer sterft, de drietongige vlam van de vier pitten. … De pitten zijn de vonken, die teren op de drietongige vlam (hun opper-triade) , aan de zeven – hun vlam – ontschoten; de stralen en vonken van één maan, in de vloeiende wateren van al de rivieren der aarde weerspiegeld.
5. De vonk hangt aan de vlam, door de fijnste draad van Fohat verbonden. Zij reist door de Zeven Werelden van Mâyâ. Zij toeft in het eerste (Rijk) en is een metaal en een steen; zij vaart in het tweede, en zie – plant; de plant warrelt door zeven veranderingen en wordt een heilig dier ( de eerste schaduw van de stoffelijke mens).
Uit de verenigde eigenschappen van deze wordt Manu ( de mens), de denker, gevormd.
Wie vormt hem? De zeven levens, en het ene Leven.
Wie voltooit hem? De vijfvoudige Lha. En wie volmaakt het laatste lichaam? Vis, zonde en soma (de maan).
6. Van de eerstgeborene af (de primitieve of eerste mens) wordt de draad tussen de Stille Wachter en diens schaduw met iedere verandering (reïncarnatie) meer krachtig en stralend. Het zonlicht van de morgen is in middagpracht veranderd…
7. Dit is uw huidige wiel, sprak de Vlam tot de Vonk. Gij zijt mijzelf, mijn afbeeldsel en mijn schaduw. Ik heb mij met u omkleed, en gij zijt mijn vâhan (voertuig) tot de dag “wees met ons”, waarop gij andermaal mijzelf en anderen, uzelf en mij zult worden. Dan dalen de bouwers, in hun eerste omkleedselen gehuld, op de stralende aarde neder en regeren de mensen – die zijzelven zijn. “
----------
Deze slotzin bevat één van de diepzinnigste en wonderbaarlijkste theosofische leringen en één waarop H.P.B. steeds weer de nadruk legt, zoals is te zien uit de voorafgaande Stanza’s.
Sri Krishna Prem: (blz. 390) “Het eerst vers van deze zevende en laatste van de Stanza’s die handelen over de Kosmogonie is een recapitulatie van het gehele proces tot op dit punt. Het doel ervan is, ons te herinneren aan alles wat voorafgegaan is en er de nadruk op te leggen dat het leven, dat zo duidelijk aanwezig is in ons lichaam, doch dat aan de minerale substantie van onze aarde schijnt te ontbreken, in werkelijkheid eigen is aan ieder gebied van het heelal en aan ieder atoom dat bestaat. Van boven tot beneden is het heelal een levend wezen.”
4. H.P.B. Geheime Leer blz. 274 P.L. ; blz. 181 Fr.:
“De ‘drietongige vlam die geen dood kent’ is de onsterfelijke Triade Âtma-Buddhi-Manas. De ‘vier pitten’ die uitgaan en gedoofd worden zijn de vier lagere beginselen, het lichaam daaronder begrepen. “
5. H.P.B. Geheime Leer, blz.305 P.L.; blz. 201 Fr.:
(“Wie vormt hem? De zeven levens en het ene leven.”)
“De kennis van deze primaire oorzaken en het diepere wezen van ieder element, van zijn levens, hun werking, eigenschappen en veranderende toestanden – vormt de grondslag der MAGIE. Paracelsus was misschien de enige occultist in Europa, tijdens de laatste eeuwen sedert het begin der Christelijke jaartelling, die dit geheim doorgrondde. Had geen misdadige hand een eind aan zijn leven gemaakt, jaren vóór de hem door de Natuur beschikte tijd verstreken was, dan zou de fysiologische magie voor de beschaafde wereld minder geheimen hebben dan thans.”
(Het is nodig, hier te herinneren aan het onderscheid dat de theosofie maakt tussen ware magie en toverij. In ‘Isis Ontsluierd’ de tien grondstellingen van de Oosterse filosofie opsommend (niet te verwarren met de grondbeginselen van de Geheime Leer) noemt zij als nr. 5: “Geheime kennis, verkeerd toegepast, is toverij; voor heilzame doeleinden toegepast is zij ware magie of wijsheid.” Een samenvattend, zegt ze met nadruk: “Magie is geestelijke Wijsheid”).
Lhas: Dhyân Chohans, “Geesten van de hoogste sferen.”
Vis, Zonde en Soma: Hier zien wij weer de noodzaak te moeten weten welke betekenis deze woorden in de occulte wijsbegeerte hebben. H.P.B. stelt zelf de rhetrische vraag: “Doch wat heeft de maan met dit alles te maken? Wat doen in de apocalyptische taal der Stanza’s ‘Vis, Zonde en Maan’ in gezelschap der ‘Levens-microben’? “
Met de levens-microben niets, behalve dat zij de door deze gevormde tabernakels van klei gebruiken; maar met de goddelijke, volmaakte mens zeer veel, daar “Vis, Zonde en Maan tezamen de drie zinnebeelden van het onsterfelijke Wezen vormen.”
Sri Krishna Prem, blz 421:
“Vis”, stelt de onmetelijke menigten zilverachtige vormen voor, waarvan de voedingsbodem, de oceaan van het leven, het aanzijn geeft; elke vorm, een weerkaatsing van de ene maan…”
“Zonde”, de Chaldeeuwse maangod, betekent: “De Heer van Wijsheid”, de kennis of Wijsheidsaspect van het Goddelijk Denkvermogen…”
“Soma”, de vloeistof geperst uit het magische lunaire kruid van het Vedische ritueel, vertegenwoordigt de bedwelmende kracht van het goddelijk verlangen dat de “goden” dwingt tot manifestatie… Vis, zonde en soma zijn dus drie aspecten van de ene kracht, aspecten die het laatste lichaam van de mens ‘voltooien’.
“Zonder vorm is de mens een niet te identificeren vink, opgaande in de universele vuurzee. Zonder begripsvermogen is de mens een onvolmaakt dier. En zonder de levende kracht van de begeerte is de mens een interte massa.”
(Let er op dat we in de laatste zin FOHAT ontmoeten!)
6. Het volgende, voorkomende op blz. 307, P.L.: 202 Fr van de Geheime Leer, waarin een uiteenzetting wordt gegeven van vers 6 van de Stanza, is weer één van die passages die de bestudeerder van buiten zou moeten leren, omdat men slechts door voortdurend erover na te denken begint te begrijpen wat er allemaal in opgesloten ligt. Tussen twee haakjes, er is ook de betekenis van de leer van Swabhâva in opgesloten, het essentiële en voortdurende worden van het Zelf in iedere individuele entiteit.
H.P.B.: “ Deze zinsnede: De draad tussen de Stille Wachter en diens schaduw ( de mens) wordt krachtiger – bij elke reïncarnatie – is eveneens een zielkundig mysterie, dat in deel II verklaard zal worden. Voor het ogenblik kunnen wij volstaan met te zeggen dat de “Wachter” en zijn “schaduwen” – welke laatste even talrijk zijn als de reïncarnaties voor de Monade – één zijn. De Wachter of het goddelijke prototype, bevindt zich op de bovenste sport der ladder van het Zijn; zijn schaduw op de benedenste. Daarboven is de Monade van elk levend wezen…. een individuele Dhyân Chohan, verschillend van andere en voor de duur van één Manvantara een soort geestelijke individualiteit op zich zelf gedurende één speciale Manvantara. Haar Oergrond, de Geest (Âtman) is natuurlijk één met Paramâtman (de ene Al-Geest), doch het voertuig waarbinnen zij besloten ligt, het Buddhi, is een bestanddeel der essentie van de Dhyân Chohan.
Hierin ligt het mysterie van die alomtegenwoordigheid…”Mijn Vader, die in de Hemelen is, en ik – zijn één”, zegt de Christelijke Schrift; en althans in deze tekst is zij de getrouwe echo van het esoterisch leerstuk.”
8. Zij gaat voort op blz. 309 P.L.: 203 Fr.: “Want al moge de paranirvânische toestand van menselijk standpunt eindeloos zijn, in het Eeuwige moet hij eens een einde nemen. Als dit bereikt is, zal dezelfde Monade als een nog hoger wezen op een veel hoger gebied opnieuw te voorschijn treden, om haar cyclus van meer volmaakte arbeid opnieuw te beginnen. De menselijk geest kan op zijn tegenwoordige trap van ontwikkeling dit gedachtegebied niet overschrijden, ja het nauwelijks bereiken. Hier op de drempel van het onbegrijpelijke Volstrekte en Eeuwige verliest hij zijn evenwicht.”
( Het is belangrijk hier aandacht te schenken aan H.P.B.’s gebruik van de uitdrukking “het Volstrekte”. Omdat zij verwijst naar oneindigheid en eeuwigheid gebruikt zij niet de uitdrukking “het Absolute”, wat een eindige uitdrukking is. In de eerste dagen van de Society werd de uitdrukking “Absoluut” gebruikt om Parabrahman aan te geven, maar later vertelde H.P.B. haar kring van studenten – zie de Transactions of the (London) Blavatksy Lodge – dat dit niet juist was. De uitdrukking moest zijn “het Volstrekte”. )
(Let ook op het onderscheid dat zij maakt in de drie Grondstellingen tussen “het Zijn” en “het Zijnde” . Zie G. de P.’s Occult Glossarium voor een duidelijke uiteenzetting van dit onderwerp).
Geheime Leer, blz. 310 P.L.; 204 Fr.: “De volgende grote Manvantara zal er getuige van zijn, dat de mensen van onze eigen levenscyclus de onderrichters en gidsen van een mensdom worden waarvan de Monaden nu nog gevangen zijn – en dit half bewust – in de meest verstandelijk hogere dieren, terwijl hun lagere beginselen misschien de hoogste soorten der planten-wereld bezielen… Zo volgen cyclussen der zevenvoudige natuur elkaar op; de geestelijke of goddelijke; de psychische of half-goddelijke; de intellectuele, de passionele, de instinctmatige of waarnemende (cognitionele); de half-stoffelijke en de zuiver stoffelijke of fysieke natuur.
Zij doorlopen alle een kringsgewijze ontwikkelingsgang, van de een in de ander overgaande… zij zijn één in hun diepste essentie, hoewel zeven in hun aspecten. “
-----------------------------------------------------
“De Ouders van de Mensheid op Aarde”.

1. Aanschouw de aanvang van bewust, vormloos leven. Eerst het Goddelijke (voertuig), het Ene van de Moeder-Geest (Âtma); dan het Geestelijke – ( Âtma-Buddhi, de Geest-Ziel, dit heeft op de Kosmische beginselen betrekking) ; (andermaal) de Drie van de Een; de Vier van de Een; en de vijf, uit welke de Drie, de Vijf en de Zeven – Deze zijn het drievoud en het viervoud nederwaarts; de “Geest-Geboren” Zonen van de eerste Heer (Avalokiteśvara). De Blinkende Zeven (de “Bouwers” ), (de Zeven Scheppende Rishi’s, die thans met het sterrenbeeld van de Grote Beer in verband worden gebracht. De Stralende Zeven - de Zeven oorspronkelijke Stralen. De Zeven voornaamste groepen van Dhyâni-Chohans). Zij zijn U, Mij, Hem, O Lanoe, Zij die over U en Uw moeder, Bhûmi (de Aarde) waken”.
2. De ene straal vermenigvuldigt de kleinere stralen. Het leven is er vóór de vorm en het overleeft het laatste vorm-atoom. Door de talloze stralen loopt de levensstraal, de ene, gelijk een snoer door vele parels.
3. De Ene, twee geworden, doet het drievoud ontstaan, en de drie zijn één; en het is onze draad, o Lanoe, het hart der mens-plant, Saptaparna genaamd.
4. Het is de wortel, die nimmer sterft, de drietongige vlam van de vier pitten. … De pitten zijn de vonken, die teren op de drietongige vlam (hun opper-triade) , aan de zeven – hun vlam – ontschoten; de stralen en vonken van één maan, in de vloeiende wateren van al de rivieren der aarde weerspiegeld.
5. De vonk hangt aan de vlam, door de fijnste draad van Fohat verbonden. Zij reist door de Zeven Werelden van Mâyâ. Zij toeft in het eerste (Rijk) en is een metaal en een steen; zij vaart in het tweede, en zie – plant; de plant warrelt door zeven veranderingen en wordt een heilig dier ( de eerste schaduw van de stoffelijke mens).
Uit de verenigde eigenschappen van deze wordt Manu ( de mens), de denker, gevormd.
Wie vormt hem? De zeven levens, en het ene Leven.
Wie voltooit hem? De vijfvoudige Lha. En wie volmaakt het laatste lichaam? Vis, zonde en soma (de maan).
6. Van de eerstgeborene af (de primitieve of eerste mens) wordt de draad tussen de Stille Wachter en diens schaduw met iedere verandering (reïncarnatie) meer krachtig en stralend. Het zonlicht van de morgen is in middagpracht veranderd…
7. Dit is uw huidige wiel, sprak de Vlam tot de Vonk. Gij zijt mijzelf, mijn afbeeldsel en mijn schaduw. Ik heb mij met u omkleed, en gij zijt mijn vâhan (voertuig) tot de dag “wees met ons”, waarop gij andermaal mijzelf en anderen, uzelf en mij zult worden. Dan dalen de bouwers, in hun eerste omkleedselen gehuld, op de stralende aarde neder en regeren de mensen – die zijzelven zijn. “
----------
Deze slotzin bevat één van de diepzinnigste en wonderbaarlijkste theosofische leringen en één waarop H.P.B. steeds weer de nadruk legt, zoals is te zien uit de voorafgaande Stanza’s.
Sri Krishna Prem: (blz. 390) “Het eerst vers van deze zevende en laatste van de Stanza’s die handelen over de Kosmogonie is een recapitulatie van het gehele proces tot op dit punt. Het doel ervan is, ons te herinneren aan alles wat voorafgegaan is en er de nadruk op te leggen dat het leven, dat zo duidelijk aanwezig is in ons lichaam, doch dat aan de minerale substantie van onze aarde schijnt te ontbreken, in werkelijkheid eigen is aan ieder gebied van het heelal en aan ieder atoom dat bestaat. Van boven tot beneden is het heelal een levend wezen.”
4. H.P.B. Geheime Leer blz. 274 P.L. ; blz. 181 Fr.:
“De ‘drietongige vlam die geen dood kent’ is de onsterfelijke Triade Âtma-Buddhi-Manas. De ‘vier pitten’ die uitgaan en gedoofd worden zijn de vier lagere beginselen, het lichaam daaronder begrepen. “
5. H.P.B. Geheime Leer, blz.305 P.L.; blz. 201 Fr.:
(“Wie vormt hem? De zeven levens en het ene leven.”)
“De kennis van deze primaire oorzaken en het diepere wezen van ieder element, van zijn levens, hun werking, eigenschappen en veranderende toestanden – vormt de grondslag der MAGIE. Paracelsus was misschien de enige occultist in Europa, tijdens de laatste eeuwen sedert het begin der Christelijke jaartelling, die dit geheim doorgrondde. Had geen misdadige hand een eind aan zijn leven gemaakt, jaren vóór de hem door de Natuur beschikte tijd verstreken was, dan zou de fysiologische magie voor de beschaafde wereld minder geheimen hebben dan thans.”
(Het is nodig, hier te herinneren aan het onderscheid dat de theosofie maakt tussen ware magie en toverij. In ‘Isis Ontsluierd’ de tien grondstellingen van de Oosterse filosofie opsommend (niet te verwarren met de grondbeginselen van de Geheime Leer) noemt zij als nr. 5: “Geheime kennis, verkeerd toegepast, is toverij; voor heilzame doeleinden toegepast is zij ware magie of wijsheid.” Een samenvattend, zegt ze met nadruk: “Magie is geestelijke Wijsheid”).
Lhas: Dhyân Chohans, “Geesten van de hoogste sferen.”
Vis, Zonde en Soma: Hier zien wij weer de noodzaak te moeten weten welke betekenis deze woorden in de occulte wijsbegeerte hebben. H.P.B. stelt zelf de rhetrische vraag: “Doch wat heeft de maan met dit alles te maken? Wat doen in de apocalyptische taal der Stanza’s ‘Vis, Zonde en Maan’ in gezelschap der ‘Levens-microben’? “
Met de levens-microben niets, behalve dat zij de door deze gevormde tabernakels van klei gebruiken; maar met de goddelijke, volmaakte mens zeer veel, daar “Vis, Zonde en Maan tezamen de drie zinnebeelden van het onsterfelijke Wezen vormen.”
Sri Krishna Prem, blz 421:
“Vis”, stelt de onmetelijke menigten zilverachtige vormen voor, waarvan de voedingsbodem, de oceaan van het leven, het aanzijn geeft; elke vorm, een weerkaatsing van de ene maan…”
“Zonde”, de Chaldeeuwse maangod, betekent: “De Heer van Wijsheid”, de kennis of Wijsheidsaspect van het Goddelijk Denkvermogen…”
“Soma”, de vloeistof geperst uit het magische lunaire kruid van het Vedische ritueel, vertegenwoordigt de bedwelmende kracht van het goddelijk verlangen dat de “goden” dwingt tot manifestatie… Vis, zonde en soma zijn dus drie aspecten van de ene kracht, aspecten die het laatste lichaam van de mens ‘voltooien’.
“Zonder vorm is de mens een niet te identificeren vink, opgaande in de universele vuurzee. Zonder begripsvermogen is de mens een onvolmaakt dier. En zonder de levende kracht van de begeerte is de mens een interte massa.”
(Let er op dat we in de laatste zin FOHAT ontmoeten!)
6. Het volgende, voorkomende op blz. 307, P.L.: 202 Fr van de Geheime Leer, waarin een uiteenzetting wordt gegeven van vers 6 van de Stanza, is weer één van die passages die de bestudeerder van buiten zou moeten leren, omdat men slechts door voortdurend erover na te denken begint te begrijpen wat er allemaal in opgesloten ligt. Tussen twee haakjes, er is ook de betekenis van de leer van Swabhâva in opgesloten, het essentiële en voortdurende worden van het Zelf in iedere individuele entiteit.
H.P.B.: “ Deze zinsnede: De draad tussen de Stille Wachter en diens schaduw ( de mens) wordt krachtiger – bij elke reïncarnatie – is eveneens een zielkundig mysterie, dat in deel II verklaard zal worden. Voor het ogenblik kunnen wij volstaan met te zeggen dat de “Wachter” en zijn “schaduwen” – welke laatste even talrijk zijn als de reïncarnaties voor de Monade – één zijn. De Wachter of het goddelijke prototype, bevindt zich op de bovenste sport der ladder van het Zijn; zijn schaduw op de benedenste. Daarboven is de Monade van elk levend wezen…. een individuele Dhyân Chohan, verschillend van andere en voor de duur van één Manvantara een soort geestelijke individualiteit op zich zelf gedurende één speciale Manvantara. Haar Oergrond, de Geest (Âtman) is natuurlijk één met Paramâtman (de ene Al-Geest), doch het voertuig waarbinnen zij besloten ligt, het Buddhi, is een bestanddeel der essentie van de Dhyân Chohan.
Hierin ligt het mysterie van die alomtegenwoordigheid…”Mijn Vader, die in de Hemelen is, en ik – zijn één”, zegt de Christelijke Schrift; en althans in deze tekst is zij de getrouwe echo van het esoterisch leerstuk.”
8. Zij gaat voort op blz. 309 P.L.: 203 Fr.: “Want al moge de paranirvânische toestand van menselijk standpunt eindeloos zijn, in het Eeuwige moet hij eens een einde nemen. Als dit bereikt is, zal dezelfde Monade als een nog hoger wezen op een veel hoger gebied opnieuw te voorschijn treden, om haar cyclus van meer volmaakte arbeid opnieuw te beginnen. De menselijk geest kan op zijn tegenwoordige trap van ontwikkeling dit gedachtegebied niet overschrijden, ja het nauwelijks bereiken. Hier op de drempel van het onbegrijpelijke Volstrekte en Eeuwige verliest hij zijn evenwicht.”
( Het is belangrijk hier aandacht te schenken aan H.P.B.’s gebruik van de uitdrukking “het Volstrekte”. Omdat zij verwijst naar oneindigheid en eeuwigheid gebruikt zij niet de uitdrukking “het Absolute”, wat een eindige uitdrukking is. In de eerste dagen van de Society werd de uitdrukking “Absoluut” gebruikt om Parabrahman aan te geven, maar later vertelde H.P.B. haar kring van studenten – zie de Transactions of the (London) Blavatksy Lodge – dat dit niet juist was. De uitdrukking moest zijn “het Volstrekte”. )
(Let ook op het onderscheid dat zij maakt in de drie Grondstellingen tussen “het Zijn” en “het Zijnde” . Zie G. de P.’s Occult Glossarium voor een duidelijke uiteenzetting van dit onderwerp).
Geheime Leer, blz. 310 P.L.; 204 Fr.: “De volgende grote Manvantara zal er getuige van zijn, dat de mensen van onze eigen levenscyclus de onderrichters en gidsen van een mensdom worden waarvan de Monaden nu nog gevangen zijn – en dit half bewust – in de meest verstandelijk hogere dieren, terwijl hun lagere beginselen misschien de hoogste soorten der planten-wereld bezielen… Zo volgen cyclussen der zevenvoudige natuur elkaar op; de geestelijke of goddelijke; de psychische of half-goddelijke; de intellectuele, de passionele, de instinctmatige of waarnemende (cognitionele); de half-stoffelijke en de zuiver stoffelijke of fysieke natuur.
Zij doorlopen alle een kringsgewijze ontwikkelingsgang, van de een in de ander overgaande… zij zijn één in hun diepste essentie, hoewel zeven in hun aspecten. “
-----------------------------------------------------
Abonneren op:
Posts (Atom)